In totaal ontvingen vorig jaar 477.000 jongeren jeugdzorg, een daling van 2,8% ten opzichte van het jaar ervoor, een daling van 2,8% ten opzichte van het jaar ervoor, aldus het CBS. Exclusief het pandemiejaar 2020 is dit de eerste daling sinds 2015, toen gemeenten de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg overnamen en het CBS de cijfers ging bijhouden. De daling deed zich vooral voor bij de jeugdhulp en jeugdbescherming, terwijl de jeugdreclassering een stijging liet zien.
In 2025 ontving ongeveer 10,8% van de jongeren in Nederland onder de 23 jaar jeugdzorg. Deze zorg is opgesplitst in drie hoofdcategorieën: jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering.
Jeugdhulp is de meest gebruikte vorm en ondersteunt bijvoorbeeld problemen op het gebied van de geestelijke gezondheid of opvoedingsproblemen. Jeugdbescherming wordt toegepast wanneer de veiligheid van een kind in gevaar is, terwijl de jeugdreclassering gericht is op jongeren die vanwege spijbelen contact hebben gehad met de politie of onderwijsautoriteiten.
In 2025 werden bijna 33.000 jongeren onder jeugdbescherming geplaatst, een daling van 3,3% ten opzichte van het jaar daarvoor. Daarentegen steeg de jeugdreclassering tot bijna 9.000 gevallen, een stijging van 4,5%.
Jeugdhulp werd het meest verleend aan tieners van 12 tot 18 jaar, en iets vaker aan meisjes dan aan jongens. Bij jongere kinderen daarentegen hebben jongens vaker dan meisjes steun. Jongeren van 18 jaar en ouder hebben met 3,2% een relatief klein aandeel.
Huisartsen verwezen bijna 97.000 jongeren naar de jeugdzorg, oftewel 33,5% van alle gevallen. Dit is een daling ten opzichte van de 38% in 2021. Ondertussen is het doorverwijzingsaandeel van gemeenten gestegen naar 33,3%. Deze verschuiving betekent dat lokale overheden nu een grotere coördinerende rol spelen in de jeugdzorg, wat op zijn beurt heeft geleid tot aanzienlijke verschillen in de manier waarop jeugdzorg tussen gemeenten wordt gebruikt.
Minister van Volksgezondheid Mirjam Sterk noemt de daling een bemoedigend signaal. “Tegelijkertijd moeten we goed onderzoeken hoe deze cijfers zich verhouden tot de toegankelijkheid en kwaliteit van de zorg en de kosten”, aldus de minister.
Ook zegt ze samen met onder andere zorgverleners en gemeenten te blijven samenwerken om in de toekomst meer ondersteuning voor gezinnen te organiseren en ervoor te zorgen dat specialistische zorg alleen wordt ingezet als het echt nodig is.











