Het dagelijks leven in Nederland was in maart 2,7 procent duurder dan een jaar eerder, meldt het CBS in een snelle inflatieschatting. In februari bedroeg de inflatie nog 2,4 procent.
Het inflatiecijfer van maart is het eerste maandcijfer waarin de stijging van de consumentenprijzen is meegenomen als gevolg van de Amerikaans-Israëlische oorlog met Iran, die eind februari begon. Door de oorlog in het olierijke Midden-Oosten stegen de olie- en gasprijzen in maart sterk. Vergeleken met februari waren de consumentenprijzen in maart 0,7 procent hoger.
De energieprijzen, inclusief motorbrandstoffen, hadden deze maand het grootste opwaartse effect op de inflatie. Deze prijzen stegen in maart met 6,5 procent, na een stijging van 0,0 procent in februari.
Ook de voedselprijzen dreven de inflatie op, die in maart met 2,0 procent steeg, na een stijging van 1,4 procent in februari.
De prijzen van diensten stegen in maart (+3,8%) iets minder dan in februari (+4,2%). En de prijsstijgingen voor industriële goederen, exclusief motorbrandstoffen, bedroegen in beide maanden +0,4 procent.
Ook berekende het statistiekbureau de Nederlandse inflatie op basis van de Europees geharmoniseerde methode (HICP), de in de eurozone afgesproken methode om het vergelijken van inflatiecijfers eenvoudiger te maken. Op basis van de HICP kwam de Nederlandse inflatie in maart uit op 2,6 procent, tegen 2,3 procent in februari.
Het belangrijkste verschil tussen de CBS- en de Europese methode is dat de HICP geen rekening houdt met de kosten van het bezitten van een woning. Het CBS berekent die kosten mee in de inflatie op basis van de huurontwikkeling.










