Zaterdag vonden in Den Haag herdenkingen plaats ter gelegenheid van het 31 jaar geleden zijn van de genocide in Srebrenica, waar burgemeester Jan van Zanen zijn toespraak op het Lange Voorhout gebruikte om te spreken over Hanna, een meisje dat hockey speelt in een trui met het nummer 11 ter herdenking van haar grootvader en andere slachtoffers van Europa’s grootste genocide sinds de Tweede Wereldoorlog.
Alma, de moeder van Hanna, was pas 14 jaar oud toen haar vader in juli 1995 in Srebrenica werd vermoord.
Hij was een van de ongeveer 8.000 moslimmannen en -jongens die in juli een week werden afgeslacht nadat Bosnisch-Servische troepen onder leiding van generaal Ratko Mladić een veilige haven van de VN onder de bescherming van VN-vredeshandhavers hadden veroverd.
11 juli is de verjaardag van de overname van Srebrenica, iets wat Hanna nog vaak moet uitleggen. Van Zanen zegt dat schokkend te vinden.
“Omdat de verhalen van de doden en hun nabestaanden, en van alle anderen die in de hel van Srebrenica zijn beland, een onlosmakelijk onderdeel moeten zijn van ons collectieve bewustzijn.”
Nederlandse soulsearching
Wat er in Srebrenica is gebeurd, heeft zwaar op de Nederlanders gewogen. De vredeshandhavers die de wacht hielden, zagen hoe Mladić de mannen en jongens van de vrouwen scheidde om ze met bussen naar verschillende nabijgelegen moordvelden te brengen, en officieren gooiden honderden Bosnische mannen van de Nederlandse basis in Potočari naar wachtende Bosnisch-Servische troepen. Sindsdien worstelt het land met jaarlijkse zoektochten naar de ziel.
De Nederlandse regering viel in 2002 over deze kwestie, waarbij de toenmalige premier Wim Kok zei dat hoewel Nederland de juridische verantwoordelijkheid voor de bloedbaden niet aanvaardde, hij wel de politieke verantwoordelijkheid zou nemen.
En in 2011 stelde een Nederlands hof van beroep de staat aansprakelijk voor de dood van drie mannen die van de compound waren gedwongen, en betaalde herstelbetalingen aan hun families, waaronder de zoon van compound-elektricien Rizo Mustafić, die al bijna tien jaar tegen de Nederlandse staat vocht. “Eindelijk ben ik heel blij”, zei Mustafić destijds. “Het voelt geweldig. Ik ga mijn vader op 11 juli begraven en dit is zo goed.”
Elke 11 juli hebben familieleden van de slachtoffers de mogelijkheid om de stoffelijke resten van hun dierbaren te begraven, ook al is het maar een bot. Dit jaar was daarop geen uitzondering: er werden tien mensen begraven. Naar schatting worden nog steeds 900 tot 1.000 mensen vermist, liggend in massagraven die zijn verwijderd, verplaatst of omgeploegd.
Monument
“Herdenken betekent voor mij ook dat we de namen en verhalen van de individuele slachtoffers blijven doorgeven”, zegt Samir Hajdarević, voorzitter van het Nationaal Monument Genocide Srebrenica, bij deze herdenking. Hij kwam op negenjarige leeftijd vanuit Bosnië naar Nederland.
“Zolang we over hen spreken, worden ze niet gereduceerd tot een getal in een geschiedenisboek. Aan de ene kant is er veel verdriet, maar ook veel verantwoordelijkheid.”
De herdenking van dit jaar, die door honderden werd bijgewoond, concentreerde zich op de moeders van Srebrenica, die volgens de organisatoren een sleutelrol spelen in “de actieve herinneringscultuur”.
In Den Haag verrijst een monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van Srebrenica op de plek van het voormalige Joegoslavische Tribunaal voor oorlogsmisdaden, waar dit weekend het 31e stuk natuursteen werd geplaatst. “Eén steen voor elk jaar dat ons scheidt van de genocide”, aldus de burgemeester.
Voormalig generaal Ratko Mladić, de man die door het tribunaal waar deze zal worden herdacht tot levenslang is veroordeeld voor de genocide, zit nog steeds in de gevangenis.












