De Nederlandse strijdkrachten gaan zwaar investeren in ‘drone-on-drone’-verdedigingssystemen als reactie op de snelle ontwikkeling van onbemande oorlogvoering, zo blijkt uit een briefingdocument dat de NOS heeft ingezien.
De regering overweegt ook “selectieve dienstplicht” als er niet genoeg vrijwilligers zich aanmelden om in een oorlog te vechten en is van plan om ongeveer 1.000 extra militaire politie (Marechaussee) te rekruteren om de grens te bewaken, en om meer tanks en vliegtuigen te kopen.
Het vertrouwelijke document, getiteld “Samen Voorwaarts”, zet de prioriteiten van het kabinet uiteen bij het streven naar het behalen van de nieuwe NAVO-bestedingsdoelstelling van 3,5% van het bbp, wat neerkomt op tussen de €16 miljard en €19 miljard per jaar.
Nog eens 1,5% zou moeten worden besteed aan kritieke infrastructuur, een bredere categorie die bruggen, wegen, het elektriciteitsnetwerk en cyberbeveiliging omvat.
Minister van Defensie Dilan Yesilgöz en staatssecretaris Derk Boswijk presenteren de krant maandagmiddag.
De ministers zeggen dat de defensie-uitgaven moeten stijgen om het hoofd te bieden aan de groeiende uitdagingen zoals Russische agressie, de grotere rol van China in de wereldpolitiek, terrorisme en het potentieel van klimaatverandering en voedseltekorten om conflicten te veroorzaken.
De krant vermeldt niet specifiek de houding van de Trump-regering ten opzichte van Europa, maar merkt op: “De geopolitieke regels en internationale betrekkingen zijn aan het veranderen en het recht van de sterkste is terug.”
Innovatie laboratorium
De focus ligt vooral op onbemande defensie, waarbij het kabinet zich ten doel stelt om binnen vijf jaar ruim de helft van de ‘operationele effecten’ met onbemande systemen te realiseren.
De ontwikkeling weerspiegelt de snelle toename van het gebruik van drones in Oekraïne, waar innovaties een ‘kill zone’ van 20 km aan de frontlinie hebben gecreëerd en de Oekraïners hebben geholpen effectiever terug te dringen tegen de Russische opmars in het afgelopen jaar.
De ministers willen een laboratorium creëren om effectievere en kostenefficiëntere drones te ontwikkelen, maar ook andere geautomatiseerde systemen zoals onbemande schepen.
Nieuwe technologie zou het leger minder afhankelijk maken van dure en relatief inefficiënte luchtverdedigingssystemen zoals Patriot-raketten, die veel duurder zijn in gebruik dan de drones die ze neerschieten.
Het kabinet ziet nog steeds een belangrijke rol weggelegd voor personeel en meer gevestigde vormen van militair materieel. De ministers zijn van plan om meer F-35 straaljagers aan te schaffen voor de luchtmacht en de marinevloot van NH-90 helikopters uit te breiden.
De zware gemechaniseerde brigade van het leger, waartoe ook tanks behoren, zal worden versterkt, evenals de luchtaanvalbrigade, terwijl een vierde gevechtsbataljon zal worden toegevoegd.
Selectieve dienstplicht
Het document bevat ook plannen om tien extra squadrons militaire politie op te richten om taken uit te voeren zoals grenspatrouilles en de introductie van “selectieve dienstplicht”.
Dit laatste wordt gezien als een optie om tegemoet te komen aan de doelstelling van het kabinet om de militaire loonlijst de komende vier jaar uit te breiden naar 122.000, terwijl er momenteel slechts 80.000 vrijwilligers zijn.
Boswijk stelde in maart voor het eerst een selectieve dienstplicht voor in het parlement, toen hij kritiek kreeg van linkse oppositiepartijen die vroegen of tieners gevangenisstraf zouden krijgen als ze de oproep weigerden. Hij zei: “Ik hoop dat dwang niet nodig is, maar ik kan het niet uitsluiten.”
Uit een recent onderzoek voor de denktank Clingendael bleek dat iets minder dan de helft (48%) van de 18- tot 35-jarigen bereid was om voor hun land te vechten, evenals ongeveer 50% van de mensen tussen 35 en 64 jaar.
Iedereen van 17 tot en met 45 jaar komt in aanmerking voor een oproep en krijgt daarvoor een brief, maar de actieve dienst werd in Nederland in 1997 afgeschaft.
Bijna de helft van de ondervraagden zei dat ze er niet op vertrouwden dat de regering het defensiebudget goed zou besteden, terwijl een derde vond dat de benchmark van 5% te hoog was. Een kleiner deel, ongeveer 7%, was van mening dat dit hoger zou moeten zijn.
“Dat is een aanzienlijke minderheid, vooral aan de rand van het politieke spectrum”, zegt hoofdonderzoeker Bart van den Berg. “Maar het is belangrijk om ook met deze mensen in contact te blijven.”












