De Onderwijsinspectie stelt dat veel leerlingen in Nederland nog steeds achterlopen op kernvaardigheden als lezen, schrijven en rekenen. In haar laatste rapport waarschuwt de inspectie dat de inspanningen van scholen, schoolbesturen en de overheid om de trend te keren nog niet tot uiting zijn gekomen in meetbare verbeteringen, een onderwerp dat zij al jaren aan de orde stelt.
In het rapport Staat van het onderwijs worden diverse voorbeelden genoemd. In het lager secundair onderwijs is er bijvoorbeeld “nog steeds sprake van een voortdurende en substantiële achteruitgang in de prestaties op het gebied van begrijpend lezen en woordenschat op alle schooltypen vergeleken met de periode vóór de COVID-19-crisis.”
Ook bij wiskunde en rekenen gaan de prestaties achteruit, vooral in het vmbo, terwijl in het mbo de resultaten op de landelijke eindexamens Nederlands dalen.
Eén op de drie studenten op mbo niveau 1 rondt de opleiding af met onvoldoende taalvaardigheid, blijkt uit het rapport, terwijl dit aandeel onder afgestudeerden op mbo niveau 4 oploopt tot 38 procent.
Uit een twee jaar oud onderzoek van de Onderwijsinspectie onder 225 willekeurig gekozen scholen bleek dat ruim 20 procent een onvoldoende beoordeling kreeg voor de algehele kwaliteit. De waarnemend minister van Basis- en Voortgezet Onderwijs, Mariëlle Paul, zei destijds dat verbeteringen nodig waren en introduceerde een herstelplan.
Uit de laatste steekproef blijkt echter weinig verandering: grofweg één op de vijf scholen in het basis-, voortgezet en speciaal onderwijs presteert nog steeds onder de vereiste normen.
“Een somber beeld”, zegt inspecteur-generaal Alida Oppers in een toelichting op het rapport. “Er is behoefte aan goed nieuws, maar het keerpunt in de trend is nog niet aangebroken.”
De Onderwijsinspectie benadrukt in haar laatste rapport dat schoolleiders meer aandacht en steun moeten krijgen en beschrijft hen als cruciaal voor de schoolkwaliteit. Ook wijst de inspectie op opvallende regionale verschillen in het basisonderwijsadvies.
In sterk verstedelijkte gebieden zoals de Randstad krijgen leerlingen vaker aangepast eindonderwijsadvies (88 procent) dan in minder stedelijke regio’s (68 procent).
Volgens de inspectie draagt dit bij aan verschillen in onderwijstrajecten. Leerlingen in het noorden en oosten met een vmbo-(g)t/havo-advies komen vaker in het vmbo-(g)t terecht, terwijl leerlingen met hetzelfde advies in de Randstad vaker doorstromen naar de havo.
Daarnaast komt onderwijsstapelen, het doorstromen naar een hoger middelbaar niveau na het behalen van een diploma, in de Randstad vaker voor dan elders.
“Wij zijn het aan onszelf verplicht om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren”, zegt minister van Onderwijs Rianne Letschert in reactie op het rapport. “Dit State of Education-rapport onderstreept dat nogmaals”, aldus Letschert.
Staatssecretaris Judith Tielen voegde eraan toe dat lezen, schrijven en rekenen een “topprioriteit” moeten blijven, zoals bevestigd door de bevindingen.
“Het belang van beter onderwijs in ons land is nauwelijks onder woorden te brengen”, aldus de minister. Volgens haar is sterk onderwijs “een voorwaarde voor een veilige en gelukkige toekomst.” De minister constateert dat mensen in het onderwijs gemotiveerd zijn om de kwaliteit te verbeteren.
Studenten- en scholierenorganisaties roepen op basis van bevindingen uit het rapport op tot actie tegen ongelijke kansen en hoge prestatiedruk in het onderwijs.
De Landelijke Studentenvakbond (LSVb) stelt dat het onaanvaardbaar is dat afgestudeerden die na een hbo-bachelor naar een universitaire masteropleiding gaan gemiddeld minder verdienen dan degenen die na een universitaire bachelor dezelfde master volgen.
“Hard studeren moet beloond worden, zeker als je van het hbo naar de universiteit (wo) overstapt”, aldus voorzitter Maaike Krom. “Je wordt nog steeds benadeeld door waar je bent begonnen, ook al bereik je uiteindelijk hetzelfde opleidingsniveau als anderen.”
Studenten maken zich ook zorgen over andere vormen van ongelijkheid. Uit het inspectierapport blijkt dat studenten met een niet-westerse achtergrond minder vaak worden toegelaten tot opleidingen met een numerus fixus. “Het politieke systeem moet hier echt iets aan doen”, aldus Krom.










