De onzekerheid op de financiële markten als gevolg van de Iranoorlog begint de Nederlandse pensioenfondsen te raken. De dekkingsgraad van de twee grootste pensioenfondsen, ABP en PME, is gedaald.
De dekkingsgraad is de verhouding tussen het vermogen van een pensioenfonds en de waarde van alle opgebouwde pensioenen. Bij een lagere dekkingsgraad is er bij de transitie van het fonds naar het nieuwe pensioenstelsel minder geld te verdelen onder de pensioenpotten.
Ambtenarenfonds De dekkingsgraad van ABP daalde van 123,5 procent naar 119,1 procent. “Door de onrust in het Midden-Oosten was het een lastig eerste kwartaal”, zegt ABP-voorzitter Harmen van Wijnen. “Januari en februari waren goede investeringsmaanden. Maar het nieuws over de oorlog in Iran leidde tot dalingen op de financiële markten.”
ABP wil volgend jaar overgaan naar het nieuwe pensioenstelsel. Het fonds streeft bij de overstap naar een dekkingsgraad van minimaal 110 procent. “Wij houden dit in de aanloop naar de transitie nauwlettend in de gaten.”
De dekkingsgraad van PME daalde van 125,3 naar 121,5 procent. Het pensioenfonds voor mensen in de metaal- en technologie-industrie geeft ook de schuld aan de onrust in het Midden-Oosten, hoewel PME-voorzitter Alae Laghrich eraan toevoegt dat er al sprake is van herstel. “Onze dekkingsgraad is inmiddels gestegen naar circa 125 procent. Het weerspiegelt de huidige realiteit, waarin op- en neerwaartse pieken vaker voorkomen.”
PMT, bpfBOUW en PFZW hebben hun recente dekkingsgraden niet gedeeld, omdat zij dit jaar al zijn overgestapt op het nieuwe stelsel.
In het oude systeem was de pensioenstijging afhankelijk van de dekkingsgraad. In het nieuwe systeem zijn de verhogingen afhankelijk van hoeveel de fondsen hebben verdiend met investeringen.
